Veranderlijke Sterren: een onderverdeling in klassen.
De General Catalogue of Variable Stars (GCVS) onderscheidt zes klassen van
veranderlijke sterren, die op hun beurt weer zijn onderverdeeld in een groot
aantal subklassen. We zullen hier de voor de amateur belangrijkste typen
kort beschrijven.
1. Eruptieve veranderlijken
* T Tauri sterren
Dit zijn jonge sterren, die door samentrekken van gas en stof uit interstellair gas zijn ontstaan.
Ze hebben spectra van Fe-Me (dwz spectra van het type F tot M met emissielijnen) en onregelmatige
lichtwisselingen tot maximaal 5 magnituden. Ze worden gewoonlijk gevonden in diffuse gasnevels.
Voorbeelden: T Tau, RR Tau
* R Coronae Borealis sterren
RCB sterren zijn veranderlijken, die meestal in hun maximale helderheid zijn, maar plotseling,
binnen enkele weken, tot wel 9 grootteklassen zwakker kunnen worden. Dit is een vrij zeldzaam type
sterren; er zijn er nu zo'n 50 van bekend. Het zijn lichtsterke reuzen die een overmaat aan koolstof
en helium bevatten, en nog slechts weinig waterstof.
De oorzaak van de lichtwisselingen wordt gezocht in het ontstaan van koolstofrijke (roet)wolken
rond de ster. Daarnaast zijn er (in het maximum) kleine lichtwisselingen van enkele tienden van
magnituden met een periode van 30-100 dagen.
Voorbeelden: R CrB, SU Tau, Z UMi.
2. Pulserende veranderlijken
* Mirasterren
Deze categorie bestaat uit rode reuzensterren met periodieke lichtwisselingen van 2.5 tot maximaal
10 magnituden en perioden tussen 80 en 600 dagen. De spectra zijn meestal van de typen Me, Ce of Se.
Door hun grote amplitude en relatief lange perioden zijn deze sterren zeer geschikt voor het visueel
waarnemen door amateurs. Er zij nog opgemerkt dat de amplitudes in het infrarood gewoonlijk kleiner
zijn dan 2.5 magnituden.
Voorbeelden: omicron Ceti [Mira], chi Cygni.
* Halfregelmatig veranderlijke sterren
Semi- of Halfregelmatig veranderlijke sterren zijn reuzensterren van een laat spectraaltype, die een
meer of minder duidelijke periodiciteit in hun lichtwisseling vertonen. De amplituden van 1-2
magnituden zijn kleiner dan die van de Mira's, maar er zijn een aantal halfregelmatig veranderlijken
die een overgang naar de Mirasterren vormen, zoals T Ari en T CVn. Verder zijn er soms langdurige
intervallen met onregelmatige variaties in helderheid. Ze worden onderverdeeld in SRa, SRb, SRc en
SRd naar afnemende regelmaat van de lichtwisselingen.
Voorbeelden: S Per, Z UMa.
* Onregelmatig veranderlijke sterren
Dit zijn langzaam en onregelmatig veranderlijke rode reuzensterren, met typeaanduiding L, van een
laat spectraaltype. Ze zijn soms gedurende lange tijd vrijwel constant; het is een nogal heterogene
klasse van veranderlijke sterren met meestal kleine amplitude (minder dan 2 magnituden).
Voorbeeld: T Per
* RV Tauri sterren
Dit zijn gele reuzensterren van spectraaltypen G en K, met afwisselend diepe en ondiepe minima.
De perioden zijn gemiddeld tussen 30 en 150 dagen, wanneer we de diepe minima als referentie nemen.
De amplitude kan tot 3 magnituden zijn. Sommige leden van deze groep vertonen cycli op lange termijn
van enige honderden tot duizend dagen. Ze worden wel gezien als een overgang van Cepheiden naar
Mirasterren. Men onderscheidt een RVa en RVb subclasse.
Voorbeelden: R Sct, RV Tau
3. Cataclysmische of Symbiotische veranderlijke sterren
* Novae
Dit zijn nauwe dubbelstersystemen bestaande uit een witte dwergster en een koele begeleider van een
laat spectraaltype, K en M. Er vindt accretie van massa plaats: gas van de koele component wordt
ingevangen door de witte dwerg. Dit leidt tot een uitbarsting, waardoor het systeem binnen 1-100
dagen tussen 7 en 16 magnituden (en in een enkel zeldzaam geval zelfs nog meer!) in helderheid
toeneemt. Na de uitbarsting neemt de helderheid langzaam tot de oorspronkelijke helderheid af; dat
kan enige jaren of zelfs decennia duren.
Voorbeelden: V1500 Cyg, V723 Cas, V1494 Aql.
* Supernovae
Tijdens de uitbarsting van deze spectaculaire veranderlijken kan de helderheid wel 20 magnituden of
meer toenemen. Het wijst op catastrofale gebeurtenissen in en om de ster. In 1987 verscheen er een
in de Grote Magelhaense Wolk. Bekend is de supernova van 1572 in Cassiopeia, die overdag zichtbaar
was. Na de uitbarsting zijn dikwijls gasschillen en lichtecho's zichtbaar. De expansiesnelheden van
het uitgestoten gas ligt typisch in de orde van tien- tot twintigduizend km/sec.
We onderscheiden twee hoofdtypen supernovae; te weten type I en type II. Bij type I gaat het om een
dubbelstersysteem; de witte dwerg neemt massa van de reus over en komt uiteindelijk tot uitbarsting
na het passeren van een kritische limiet. Bij type II hebben we te maken met een reuzenster, die
alle stadia van kernfusie tot aan ijzer toe heeft doorlopen, maar uiteindelijk niet langer de
kernfusie kan onderhouden voor de energievoorziening van de ster en daarbij ineenstort.
Voorbeelden: B Cas, SN 1987A.
* Dwergnovae
Dit zijn dubbelstersystemen, bestaande uit een rode en een witte dwerg en een accretieschijf rond
het hele stelsel. Door instabiliteiten in deze schijf valt regelmatig materie op de witte dwerg
hetgeen tot uitbarstingen leidt. Hierbij neemt de helderheid 2-6 magnituden toe.
Er zijn diverse subklassen, waarvan de drie belangrijkste zijn : SS Cyg, Z Cam en SU UMa. Bij de
Z Cam-sterren komen stilstanden voor, waarbij de helderheid na een uitbarsting bij terugkeer
naar het minimum een tijdlang vrijwel constant blijft. De SU UMa-sterren hebben naast de gewone
nog z.g. supermaxima, die langer duren, ~2 magnituden helderder zijn en superhumps vertonen.
Voorbeelden: U Gem, Z Cam, SU UMa.
* Recurrente novae
Deze sterren zijn sterk verwant aan de klassieke novae, maar de uitbarstingen zijn frequenter en
meermaals waargenomen. Het verschil met de gewone novae moet wellicht worden gezocht in het feit,
dat de witte dwerg in het systeem een grotere massa heeft.
Voorbeelden: T CrB, RS Oph.
* Symbiotische veranderlijke sterren
Dit zijn nauwe dubbelstersystemen, bestaande uit een rode reus en een hete blauwe begeleider,
beide gehuld in een gaswolk. Ze vertonen semi-periodieke, nova-achtige uitbarstingen, tot
3 magnituden maximaal.
Voorbeeld: Z And.
4. Eclipsveranderlijken
Dit zijn dubbelstersystemen, waarbij het baanvlak in of nabij de gezichtslijn van de waarnemer ligt.
De componenten bedekken elkaar periodiek, waardoor de schijnbare helderheid van het stelsel voor
de waarnemer afneemt. De perioden van deze veranderlijken, die gelijk zijn aan de omlooptijden van
de componenten, variëren van enkele minuten tot vele jaren.
Voorbeelden: beta Per [Algol], RZ Cas, epsilon Aur.